Traumaregistratie

De landelijke traumaregistratie (LTR) is opgericht om de kwaliteit van de traumazorg te meten en te optimaliseren. De minister van VWS heeft de elf Traumacentra in Nederland aangewezen om de traumaregistratie regionaal te coördineren en uit te voeren. In Noord Nederland nemen alle elf ziekenhuizen met een Spoedeisende Hulp (SEH), de ambulancediensten en het Mobiel Medisch Team deel aan de registratie.

Inclusiecriteria en letselcodering
De traumaregistratie bevat gegevens van patiënten die binnen 48 uur na het ongeval zijn behandeld op een SEH en vervolgens voor behandeling zijn opgenomen in een ziekenhuis of zijn overleden op de SEH. Datamanagers van het AZNN controleren de aangeleverde gegevens en coderen het letsel van iedere patiënt volgens de Abbreviated Injury Scale (AIS-codes). Op basis van de AIS-codes berekent het programma de Injury Severity Score (ISS).

Gegevens worden vastgelegd vanaf het tijdstip van het ongeval tot en met het ontslag uit het ziekenhuis en de 30-dagen mortaliteit. Na uitbreiding met een aantal nieuwe variabelen is in 2014 een Europese dataset ontstaan. Dit maakt het mogelijk om gegevens te vergelijken met andere ziekenhuizen in en buiten Nederland.

Rapportages
Er worden op verschillende manieren rapportages op basis van de LTR-data uitgebracht:

  • Jaarlijks wordt er een landelijke en een regionale rapportage gemaakt waarin het afgesloten jaar wordt vergeleken met de vier voorgaande jaren. De regionale rapportages vindt u via de link “Overzicht van Jaarrapportages LTR” in het rechter menu. De landelijke rapportages worden vermeld op de website van het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ).
  • De ziekenhuizen in Noord Nederland ontvangen in 2018 voor het eerst een jaarlijkse individuele rapportage waarin de data van het ziekenhuis worden vergeleken met de regionale gemiddelden.
  • Daarnaast beschikt de database over een benchmarktool. Ziekenhuizen  kunnen deze tool gebruiken om gegevens van het eigen ziekenhuis in te zien. De inloggegevens zijn bekend bij de manager van de SEH. Voor meer informatie kan contact worden opgenomen met Mathijs Dun.