'Het Integraal Zorgakkoord vereist regionaal maatwerk' interview met Ton Tiebosch

Voor Ton Tiebosch is zorgcapaciteit al jaren een van de grote bestuurlijke thema’s. Van oorsprong is hij patholoog maar het bestuurswerk nam gaandeweg een steeds groter aandeel in zijn activiteiten. Sinds 2016 is hij lid van de Raad van Bestuur met o.a. de portefeuilles Kwaliteit en Innovatie en het Zorgprocesmanagement. Per 1 december is hij tevens interim voorzitter RvB.
“In de jaren dat ik aan het Martiniziekenhuis verbonden ben, heeft de vraag hoe we de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk kunnen benutten mijn aandacht. Voor een STZ ziekenhuis met veel disciplines en veel regionale aanloop is dat ook logisch. Het gaat dan om het brede palet van instroom, doorstroom en uitstroom in de hele keten dus van de huisarts, thuiszorg, GGZ, ziekenhuis, geriatrische revalidatie zorg tot de langdurige zorg. De Covid-crisis zorgde voor intensivering van de regionale samenwerking en het optimaal gebruik maken van de schaarse beschikbare capaciteit; landelijk en regionaal. We zagen toen ook dat het anders kan en ook moet. Met het schaarser worden van de capaciteit en de krappere arbeidsmarkt, wordt de bestuurlijke uitdaging om dit met elkaar te regelen alleen maar groter.”
Werk aan de winkel
Meer en betere zorgcoördinatie wordt in het Integraal Zorgakkoord gezien als één van de oplossingen. Geldt dat ook hier in het Noorden? “We hebben hier grotere afstanden en een groot aantal zorgpartijen die moeten samenwerken, dus zeker is betere afstemming een belangrijk middel voor de juiste zorg op de juiste plek en op het juiste tijdstip. De pilots die hier al een tijdje lopen, laten ook zien dat samenwerking werkt. Maar ze laten tegelijkertijd zien dat er nog veel werk aan de winkel is. We moeten echt nog veel meer in samenhang kijken en met elkaar willen afstemmen.”
Minder verspilling
Afgesproken door de ROAZ-leden is om de bestaande pilots zorgcoördinatie deels door te zetten en deels om te buigen naar acties die aansluiten op het nieuwe Integraal Zorgakkoord. “Binnen het ROAZ zijn nu drie thema’s benoemd: multidisciplinaire triage, capaciteit en regie op zorginzet. Ik ben ervan overtuigd dat bijvoorbeeld gezamenlijke triage, dus op één plek en direct aan het begin van de vraag om acute zorg, kan zorgen voor minder verspilling van capaciteit. Zodat er geen ambulance maar een verpleegkundige naar de hulpvrager gaat als dat mogelijk is om die zorgvraag te beantwoorden. Dat vereist dan wel dat er ook een actueel beeld is van de beschikbare capaciteit, wie is waar en beschikbaar voor deze zorgvraag. Een te ontwikkelen dashboard is daarvoor een voorwaarde. Dat moet, naast de beschikbare capaciteit in ziekenhuis en ambulancezorg, minimaal zicht geven op de actuele capaciteit in V&V, thuiszorg/wijkverpleging en GGZ. Andere actie is om ervoor te zorgen dat de negen ziekenhuizen in het Noorden die al zijn aangesloten op het LPZ, het Landelijk Platform Zorgcoördinatie, dat ook echt operationeel hebben, zowel voor de spoedcomponent als de beddencapaciteitscomponent. En tot slot zullen we ook werk moeten gaan maken van integrale capaciteitsplanning. Zodat je ook echt de gewenste opvolgende zorg klaar hebt staan op het moment dat die zorg nodig is.”
De burger meenemen
Ton kijkt vanuit het perspectief van de zorgbestuurder en ziet in dat de sector zelf met oplossingen zal moeten komen. Maar hij ziet ook de bredere ontwikkelingen in de samenleving, bijvoorbeeld burgers die gewend zijn op ieder moment de zorg te vragen die ze willen. Ton: “De burger of zorgconsument is gewend aan laagdrempelige toegang tot de zorg. Een prima uitgangspunt natuurlijk, maar het kan ook leiden tot uitwassen. Wat je niet wilt is dat mensen voor eenvoudige zorgvragen de Meldkamer bellen om een ambulance. Met de toenemende druk op de zorgcapaciteit en het huidige personeelstekort zullen we naar een effectiever systeem moeten. Dat betekent dat ook burgers eraan zullen moeten wennen dat ze niet op ieder moment alle zorg die ze wensen ook direct kunnen krijgen, zeker wanneer meer passender zorg opportuun is. Dat vereist weer overtuigende voorlichting, zodat ze weten wie ze waar voor moeten bellen. Als we willen dat zorgketens niet overbelast raken, moeten we het anders gaan organiseren, maar moeten we ook de samenleving, de burger, daarin meenemen. En geloof me, de sector komt echt in gevaar als we niet ingrijpen.”
Beter toegangsmodel
Het Integraal Zorgakkoord voorziet wat dat betreft in een noodzakelijke nieuwe visie op en andere organisatie en aanpak van de zorg in ons land. Kijken we naar de drie Noordelijke regio’s dan betekent het wel dat er ruimte nodig is voor maatwerk. Ton: “Bij ons is bijvoorbeeld de druk op de spoedeisende hulp door zelfverwijzers beduidend lager dan in de randstad. Maar ook hier hebben we een beter toegangsmodel nodig met al die zorgpartijen verdeeld over drie provincies met grotere rij- en reisafstanden. Wie moet je bellen waarvoor? Triageren met brede blik is dan nodig, wat ervoor zorgt dat je snel de juiste, passende zorg krijgt. Samen met Alfred Boskma formeren we nu vanuit het ROAZ een projectgroep waarin alle relevante partijen vertegenwoordigd zijn. Die zorgt voor regie, ook als het gaat om de juiste vervolgzorg. De pilots die succesvol zijn zetten we door en we starten nieuwe projecten op. Het ROAZ buigt zich in december over de drie gemaakte plannen van aanpak op de thema’s triage, capaciteit en regie op zorginzet. Dan kunnen we meters maken. Als we de ruimte krijgen voor regionale inbedding ben ik ervan overtuigd dat betere zorgcoördinatie kan bijdragen aan een toekomstbestendige zorg.”
